Iemand die opgenomen wordt in een verpleeghuis betaalt een eigen bijdrage. Die bijdrage is afhankelijk van inkomen en vermogen. Vermogen telt mee via een vermogensinkomensbijtelling: 4% van het box 3-vermogen boven het toetsbedrag wordt opgeteld bij het bijdrageplichtig inkomen. In 2026 is dat toetsbedrag € 36.952 voor een alleenstaande en € 73.904 voor een echtpaar. Het CAK rekent met inkomen en vermogen van twee jaar geleden, dus voor de eigen bijdrage 2026 wordt gekeken naar 2024.
Wie als alleenstaande € 200.000 in box 3 heeft, ziet daarvan € 163.048 boven het toetsbedrag liggen. 4% daarvan = € 6.522 wordt opgeteld bij het bijdrageplichtig inkomen. Bij de hoge eigen bijdrage werkt dat door als 10% van het bijdrageplichtig inkomen, dus € 652 per jaar of ongeveer € 54 per maand extra. Hoe groter het vermogen, hoe meer effect.
Voor wie ruim boven het toetsbedrag uitkomt, kan de redenering verleidelijk worden: schenk het overschot weg, en de eigen bijdrage daalt. Dat klopt in beginsel. Maar er zit een rij voorwaarden achter waar het CAK op let, en die maken dat dit instrument minder gladjes werkt dan in folders staat.
Wat wel werkt.
Een schenking die volledig en onomkeerbaar het vermogen verlaat, telt vanaf dat moment niet meer mee voor de vermogenstoets. Het CAK krijgt het vermogen door van de Belastingdienst, peildatum 1 januari. Wie in oktober 2024 had geschonken, zag dat verlaagde vermogen op de stand van 1 januari 2025 staan, en dat doortikt naar de eigen bijdrage 2027 (peiljaar T-2).
Concreet: voor de eigen bijdrage 2026 telt het vermogen op 1 januari 2024. Wie in 2026 schenkt, ziet het effect pas in 2028. De vertraging is reëel en bedraagt minstens twee jaar.
Wat niet werkt.
De papieren schenking. Bij een papieren schenking blijft het vermogen op de balans van de schenker staan, het kind heeft een vordering, de ouder heeft een schuld. Voor de eigen bijdrage telt het vermogen van de schenker, dus de papieren schenking heeft geen effect op de eigen bijdrage. Wie schenkt om dat doel te bereiken, moet werkelijk schenken (geld weg, niet als schuld op de balans laten staan).
Schenken kort voor opname met de evidente bedoeling om de eigen bijdrage te verlagen. Het CAK kan kijken naar de timing en context van schenkingen. Wie in mei opname-indicatie krijgt en in juni € 80.000 wegschenkt, riskeert dat de schenking als schijnschenking wordt aangemerkt of dat fictiebepalingen worden ingeroepen. Tijdige planning, jaren voor opname, of in elk geval in een periode zonder zicht op zorg, is veiliger.
Schenken aan kinderen waarvan de Belastingdienst aanneemt dat ze het geld zullen teruggeven als de zorgvraag hoog wordt. Schenkingen die binnen een korte termijn ongedaan worden gemaakt of waar afgesproken is dat het kind het geld voor de ouder beheert, raken in de problemen.
De echte rekensom.
Een alleenstaande ouder van 78 heeft € 200.000 box 3-vermogen. Verwachte opname over twee jaar. Bij niet-schenken: vermogen blijft € 200.000, vermogensinkomensbijtelling 4% over € 163.048 = € 6.522. Doorgerekend over de hoge eigen bijdrage levert dat ongeveer € 50 per maand extra op, € 600 per jaar. Over een verblijf van vier jaar: € 2.400 extra eigen bijdrage door dat vermogen.
Bij schenken van € 80.000 in één keer aan twee kinderen (jaarvrijstelling 2 × € 6.908 = € 13.816 binnen vrij; rest belast). Schenkbelasting op de € 66.184 boven vrijstelling, 10% = € 6.618.
Het vermogen daalt naar € 120.000. De vermogensbijtelling daalt naar 4% over € 83.048 = € 3.322. Een verlaging van € 3.200 per jaar in het bijdrageplichtig inkomen. Dat scheelt over vier jaar ongeveer € 1.280 aan eigen bijdrage. Tegenover € 6.618 schenkbelasting eenmalig.
Op deze schaal is de eigen-bijdrage-besparing op zichzelf niet voldoende om de schenkbelasting te rechtvaardigen. De winst zit elders: in toekomstige erfbelasting die op het overgedragen vermogen niet meer geheven wordt. Voor wie de Wlz-besparing isoleert van de bredere planning, valt het instrument vaak tegen.
Wanneer het wel werkt.
Bij een echtpaar van zeventig, allebei vermogend, allebei in een normale gezondheid. Verwachting: ergens in de komende vijftien jaar wordt minstens één van beiden opgenomen. Schenken nu, gespreid over de jaren binnen de jaarvrijstellingen, met een eenmalig verhoogde vrijstelling per kind, levert over een planningshorizon van tien jaar tonnen op aan vermogensoverdracht zonder schenkbelasting, en haalt het meeste vermogen weg voordat het in de eigen-bijdrage-toets wordt gewogen.
Voor wie alleen om de eigen bijdrage schenkt: de wiskunde valt vaak teleurstellend uit. Met een vermogensbijtelling van 4% (niet 8% of meer zoals in oudere informatie staat) is de doorwerking naar de eigen bijdrage modest.
Wanneer het niet werkt.
Een alleenstaande van 84 die nu opname-indicatie heeft gekregen. De schenking kan worden teruggedraaid door fictiebepalingen, en zelfs als ze stand houdt, ziet de eigen-bijdrage-berekening de gevolgen pas twee jaar later, tegen die tijd is het verblijf misschien al voorbij. Hier is het instrument vrijwel altijd te laat.
De les in één zin.
Schenken om de eigen bijdrage te verlagen werkt, maar minder spectaculair dan vaak wordt verondersteld. De vermogensbijtelling is 4%, niet 8%, en er geldt een toetsbedrag van € 36.952 (alleen) of € 73.904 (paar). Voor vermogens net boven die grens is de winst beperkt; voor grote vermogens loont het wel, vooral in combinatie met bredere erfbelastingplanning. Voor wie pas begint na de eerste ziekte-indicatie, meestal te laat.
Reken jouw situatie door op het schenkplan: meerjarig schenkschema, fiscale uitkomst, restvermogen. Tarieven 2026.