De folder is eenvoudig. De langstlevende partner erft in 2026 tot € 828.035 belastingvrij. Bijna elke nalatenschap in Nederland blijft daaronder, dus de langstlevende betaalt meestal niets. Dat is het verhaal dat de tabel vertelt, en het is op zichzelf waar. Tot de overledene een fatsoenlijk pensioen had opgebouwd. Dan staat er een tweede regel onder de tabel die de Belastingdienst zelden hardop voorrekent: de pensioenimputatie. Die knabbelt aan de vrijstelling, en bij een goed pensioen knabbelt hij honderdduizenden euro's.
De redenering erachter is, op papier, redelijk. Een nabestaandenpensioen is zelf vrijgesteld van erfbelasting, je betaalt er geen cent over. De wetgever vindt het dan te ruim om bovenop die vrijgestelde uitkering ook nog de volle partnervrijstelling te geven. Dus wordt de vrijstelling verlaagd met de helft van de waarde van het pensioen dat je door het overlijden gaat ontvangen. Twee voordelen tegelijk, vond Den Haag, was er één te veel.
Hoe de afslag wordt berekend.
De Belastingdienst rekent in drie stappen. Eerst wordt de jaarlijkse nabestaandenuitkering vermenigvuldigd met een leeftijdsfactor, hoe jonger de langstlevende, hoe hoger de factor, want hoe langer de uitkering naar verwachting loopt. Daarna gaat er 30% van af, de latente inkomstenbelasting, want over die uitkering moet later nog belasting worden betaald. En tot slot telt maar de helft mee, omdat er een partner in het spel is. Het overgebleven bedrag is de imputatie, en dat wordt van de € 828.035 afgetrokken.
Een concreet voorbeeld, met de cijfers van de Belastingdienst zelf. Els is 64 als haar partner Jan overlijdt in 2026. Zij gaat een nabestaandenpensioen van € 17.500 per jaar ontvangen. De leeftijdsfactor bij 64 is 10. De gekapitaliseerde waarde is dan € 17.500 maal 10, is € 175.000. Daar gaat 30% latente belasting af, blijft € 122.500. De helft daarvan telt mee: € 61.250. Dat is de pensioenimputatie. Els' partnervrijstelling daalt van € 828.035 naar € 766.785.
Erft Els een nalatenschap van € 600.000, dan voelt ze niets, ze zit ruim onder de verlaagde vrijstelling. Maar erft ze € 850.000, dan was ze zonder imputatie nog net belastingvrij gebleven over bijna alles, en betaalt ze nu over € 83.215 in plaats van over € 21.965. Dat is € 6.125 extra erfbelasting, alleen omdat de imputatie de drempel naar beneden trok. De uitkering die ze als troost ontvangt, kost haar fiscaal de helft van zijn waarde aan vrijstelling.
De bodem die de schade begrenst.
Er is een vangnet, en dat is waarom de meeste mensen van pensioenimputatie nooit last hebben. De vrijstelling kan door de imputatie nooit lager worden dan een wettelijk minimum: in 2026 is dat € 213.915. Hoe hoog het nabestaandenpensioen ook is, onder die bodem zakt de langstlevende niet. Wie een doorsnee erfenis nalaat, een huis met een restje hypotheek en wat spaargeld, blijft daar ruim onder en merkt van de hele constructie niets.
De imputatie bijt pas waar twee dingen samenkomen: een fors nabestaandenpensioen én een nalatenschap die in de buurt van de vrijstelling of erboven komt. Dat is precies het profiel van een goedverdienende werknemer met een opgebouwd werkgeverspensioen en een afbetaald huis in een dure gemeente. Juist het huishouden dat denkt dat de partner "toch niks hoeft te betalen", loopt hier tegen een rekening aan.
De nettomethode, voor de echt hoge pensioenen.
Bij zeer hoge nabestaandenpensioenen werkt de vuistregel van een halve, voor 30% verlaagde waarde niet meer zuiver. Dan geldt een aparte berekening, in de praktijk de nettomethode genoemd. De latente belasting wordt daar afgetopt op een maximumbedrag: 30% van het verschil tussen de maximale en de minimale vrijstelling. In 2026 is dat 30% van € 828.035 min € 213.915, dus 30% van € 614.120, is € 184.236. Het gevolg is contra-intuïtief: bij een zeer hoog pensioen kan de imputatie boven de gebruikelijke ongeveer 35% van de pensioenwaarde uitkomen, en daalt de vrijstelling dus harder dan de vuistregel suggereert. De bodem van € 213.915 blijft ook dan staan, maar de weg ernaartoe is steiler dan de tabel doet vermoeden.
Wie hier baat bij heeft, en wie niet.
De Belastingdienst geeft de tabel met € 828.035 en de aangifteformulieren waarop je het pensioen netjes invult, maar rekent de uitkomst niet voor je door, dat is jouw werk of dat van een adviseur. De notaris die je testament opstelt, rekent de imputatie zelden mee in het verkoopgesprek, want het "afvullegaat" en de andere testamentconstructies verkopen makkelijker met de volle vrijstelling als uitgangspunt. En het pensioenfonds keert de uitkering uit, administratief correct, zonder één regel over wat die uitkering met de erfbelastingvrijstelling van de partner doet.
Dat is geen complot, het is een verdeling van werk waarbij niemand zich verantwoordelijk voelt voor de optelsom. De winst zit dus niet in een product of een akte, maar in vooraf weten waar je staat. Een partner met een groot nabestaandenpensioen en een nalatenschap rond de vrijstelling doet er goed aan de imputatie te laten meerekenen vóórdat het testament wordt getekend, niet erna. Dan is de keuze tussen alles naar de partner of een deel naar de kinderen, het afvullegaat, een berekening en geen aanname.
Een hard cijfer om mee af te sluiten. Bij een nabestaandenpensioen van € 35.000 per jaar voor een langstlevende van 60, leeftijdsfactor 11, komt de gekapitaliseerde waarde op € 385.000, na de latentie en de halvering op een imputatie van ongeveer € 134.750. De partnervrijstelling daalt dan van € 828.035 naar ruwweg € 693.285. Wie een nalatenschap van € 800.000 verwacht en uitgaat van de tabel, denkt nul erfbelasting te betalen. Werkelijk is over € 106.715 verschuldigd, het leeuwendeel tegen 10%, een kleine staart tegen 20%. Ruim € 11.000 die in de folder niet stond.
Reken jouw situatie door op de rekentool: vrijstelling per relatie, belaste verkrijging en wat er netto overblijft. Tarieven 2026.